Zonder goed onderwijs geen goed functionerende maatschappij !!
Leerlingen moeten weer leren, leraren moeten weer lesgeven.
Onderwijsvernieuwingen van de laatste jaren dienen daarom te worden teruggedraaid:
Het effect is er te laag en er wordt veel geld verkeerd besteed.
Het onderwijs stimuleert niet.


Al bijna veertig jaar wordt er nu gedokterd aan ons onderwijs.
De invoering van de Mammoetwet (1968) heeft de deur opengezet voor een niet aflatende stroom van hervormingen en vernieuwingen op vrijwel alle onderwijsniveaus.
Ons onderwijs is daardoor eerder in een permanente bouwput veranderd dan dat er degelijke nieuwbouw is gepleegd. Rust aan het onderwijsfront is dringend gewenst.
 

Allereerst wil ik kwijt dat dit onderwerp niet nieuw is en wij als gemeente Tynaarlo niet iets unieks aan het doen zijn. Nee, het is een landelijke trend. Het zou wenselijk zijn om de rollen van het bevoegd gezag (de gemeente) en schoolbestuur van het openbaar onderwijs uit elkaar te halen om zo iedere schijn van mogelijke belangenverstrengeling tussen hun taken als lokaal bestuur en als schoolbestuur te vermijden. De huidige situatie waarin de gemeente op zichzelf als schoolbestuur moet toezien is niet meer van deze tijd. Of het inpassen in een Stichting wel een gelukkige keuze zal blijken te zijn is nog maar de vraag. Kenmerkend voor stichtingen zijn vaak dat deze niet of nauwelijks zijn te controleren.

De verzelfstandiging van het openbaar basisonderwijs ontaardt in bestuursruzies, fusieperikelen en getouwtrek om de bruidsschat. Veel scholen in zowel Tynaarlo als Haren zouden te zwak zijn om op eigen kracht verder te gaan. Openbare scholen, die al zijn verzelfstandigd, worden op dit moment overladen met problemen. De bruidsschat is vaak niet goed geregeld, waardoor de scholen een rampzalige inboedel meekrijgen van de gemeente met ook nog eens veel achterstallig onderhoud. De gemeenten hebben vaak hele slechte (politieke) afspraken gemaakt, die de scholen niet kunnen nakomen. Door het hele land zijn gemeenten druk bezig het openbaar onderwijs te privatiseren of, zoals dat zo mooi heet, 'op afstand te zetten'. De reden daarvoor is dat de gemeenten, in vaktermen, af willen van hun ‘dubbele pet'. Want in de traditionele situatie draagt de gemeente de verantwoordelijkheid voor het hele basisonderwijs in haar gemeente, maar vormt ze tegelijkertijd zelf het bestuur van het openbare onderwijs.

De echte reden is dat de politiek, die verantwoor-delijk is dat het onderwijs in een ellendige staat verkeert door haar beleid van de afgelopen decennia, nu de handen ervan af wilt trekken, op Het kromme argument dat onderwijsinstellingen zelfstandig moeten worden gemaakt en wij hen dus ook inhoudelijk de vrijheid moeten geven slaat derhalve nergens op.

Men is voornemens om het openbare onderwijs onder te brengen in een zelfstandige stichting. De openbare scholen krijgen dan dezelfde positie als het bijzondere onderwijs. Vraag is wanneer alle Tynaarlose en Harense scholen onder één schoolbestuur vallen. Wie garandeert ons dan dat zo'n bestuur niet veel eerder besluit de basisschool in b.v. Oudemolen of Zuidlaarderveen te sluiten? Sluiting van een school blijft natuurlijk wel een bevoegdheid van de gemeenteraad, maar een groot schoolbestuur kan de druk behoorlijk opvoeren en de gemeente chanteren dat ze b.v. meer geld nodig hebben.
Een rondje Nederland leverde op dat de verzelfstandiging in het land allesbehalve gesmeerd gaat. Dat komt onder andere door de komst van de lumpsumbekostiging voor het basisonderwijs. Scholen krijgen daardoor veel meer financiële verantwoordelijkheid, maar dat brengt ook financiële risico's met zich mee. Kleine scholen kunnen die moeilijk dragen, vandaar dat de privatisering vaak wordt aangegrepen om kleine openbare basisscholen te laten fuseren, bijvoorbeeld met openbare scholen in buurgemeenten (Haren).

Het levert ellenlange besprekingen op waarbij, zoals in elk fusieproces, aan de ene kant van de weegschaal het lonkend perspectief van meer financiële armslag ligt en aan de andere kant de angst tot verlies van ‘identiteit', het verlies van leerlingen en de vraag of de bestuurders elkaar persoonlijk een beetje zien zitten.

Ook de hoogte van de bruidsschat die de openbare scholen mee moeten krijgen om voortaan hun eigen boontjes te kunnen doppen, vormt een bron van ruzie en onduidelijkheid. De bruidsschat bestaat uit twee onderdelen: in de eerste plaats moeten wij als gemeente Tynaarlo met een bedrag voor bestuurskosten over de brug komen. Want tot aan de privatisering werkte het gemeentelijk apparaat voor de openbare scholen, maar daarna moeten de scholen voor veel zaken een administratiekantoor inhuren en bestuurders betalen. Om hoeveel geld gaat het dan als je weet dat de scholen ook een bedrag mee moeten krijgen om het onderhoud op peil te brengen: van het meubilair, van de onderwijsmethoden en soms ook van het schoolgebouw. Dat laatste is zoal lastig in kaart te brengen. Het schoolbestuur wordt verantwoordelijk voor de binnenkant van het gebouw, de gemeente blijft verantwoordelijk voor een deel van de buitenkant. Wel voor het dak, maar niet voor bijvoorbeeld de zonwering. Daar zitten rare kronkels in."

Als het bedrag voor achterstallig onderhoud in kaart is gebracht, komt er een addertje uit het gras. Want dit laatste bedrag moet volgens mij wettelijk ook worden doorbetaald aan het bijzonder onderwijs en dat gaat in de papieren lopen. Momenteel zijn er vragen gesteld aan de vaste Kamercommissie om de eventuele verlenging met twee jaar (Administratie, bestuur en beheer gelden) niet te laten plaatsvinden. Als reden wordt aangegeven dat men tot juni 2008 de tijd heeft en men al lang genoeg op de hoogte is van de mogelijkheden tot samenwerking dan wel verzelfstandiging.

Openbaar onderwijs kan dus bestuursrechtelijk en vermogensrechtelijk verzelfstandigd worden. Hier is sprake van verzelfstandigd onderwijs als dit vermogensrechtelijk onafhankelijk is van de gemeente. Dit betekent dat het Rijk de onderwijsbijdragen rechtstreeks aan de school uitbetaalt zonder tussenkomst van de gemeente. Een verzelfstandigde openbare school heeft dezelfde rechtspositie als een bijzondere school. Om die reden kunnen openbare en bijzondere schoolbesturen ook fuseren. Een verzelfstandigd openbaar onderwijs is meestal een stichting, maar kan ook een openbare rechtspersoon of een openbaar lichaam zijn.
Formeel vallen alle scholen voor openbaar onderwijs in de gemeente Tynaarlo dus onder één bestuur, nl. de gemeente. Het zou misschien wenselijk zijn dat het VO ook onderdeel gaat uitmaken van deze Stichting. Later daarvoor een aparte Stichting voor in het leven roepen heeft niet onze voorkeur.

In die zin verandert er dus eigenlijk niets. Echter, doordat de gemeente de afgelopen jaren feitelijk nagelaten heeft werkelijk het bestuur over de scholen uit te oefenen en nu voornemens is door middel van een Stichting een krachtige bestuursvorm in te stellen mag het voorgenomen collegebesluiten van zowel Haren als Tynaarlo opgevat worden als een besturenfusie. In algemene zin, los van de Tynaarlose of Harense feiten en omstandigheden, kan gesteld worden dat een besturenfusie kan bijdragen aan de realisatie van;

- een gezamenlijk en daarmee sterker strategisch beleid;
- een kaderstellend beleid met betrekking tot onderdelen die niet direct aan de kern van het onderwijs raken, zoals huisvesting, personeel en financiën, alsmede van een verdere, noodzakelijke professionele ondersteuning op deze terreinen;
- vormen van samenwerking op het gebied van onderwijsaanbod, zorg en scholing;
- een gezamenlijk beleid ten aanzien van personele en financiële risico’s.

Signalen als zouden de scholen vrezen voor een verlies van onderwijskundige identiteit als gevolg van een besturenfusie kan worden ondervangen als een verstandig bestuur zal nalaten afbreuk te doen aan haar eigen krachtige onderwijskundige identiteitskenmerken die zij nu al heeft en zal immers nastreven het bestuur van voor ouders en leerlingen goede en goed herkenbare scholen te willen zijn.
Het grootste risico van een besturenfusie is dat het bestuur een beleid gaat voeren waarin op beleidsterreinen buiten het directe onderwijs de zelfstandige en wezenlijke eigenheden en krachten van de deelnemende scholen (deels) verloren gaan. Dit risico is groter naarmate het gemeenschappelijk belang van de deelnemende scholen kleiner is en/of het draagvalk voor de besturenfusie bij een of meer van de deelnemende scholen afwezig is vanwege het ontbreken van zichtbare meerwaarde.

Indien het gemeenschappelijk belang van de scholen en/of de meerwaarde ontbreken dan wel onvoldoende aanwezig zijn ontstaat gelijktijdig een tweede, zeer groot risico: namelijk een krachteloos bestuur. Immers, de bestuurskracht is direct afhankelijk van de kracht van het gezamenlijk belang en de gemeenschappelijke meerwaarde van de funderende onderdelen van het gezamenlijk bestuur: de scholen.
We stellen ons de vraag of in het Tynaarlose sprake is van voldoende potentiële meerwaarde om de voorgenomen bestuurlijke constructie te rechtvaardigen?

De potentiële meerwaarde zou, zoals hiervoor betoogd, betrekking kunnen hebben op een gezamenlijk en daarmee sterker strategisch beleid en een kaderstellend beleid met betrekking tot onderdelen die niet direct aan de kern van het onderwijs raken, zoals huisvesting, personeel en financiën, alsmede van een verdere, noodzakelijke professionele ondersteuning op deze terreinen. Dit kan slechts effectief en efficiënt zijn als de verschillende scholen op deze terreinen in zekere mate gelijke en gelijkwaardige belangen hebben; de vraag dient te worden gesteld of dit ook zo is. Voor het basisonderwijs is de situatie zeer verschillend per school. Het integraal huisvestingsplan voorziet dan in het wegwerken van de voornaamste knelpunten aldaar. Voor een krachtig gezamenlijk bestuursbeleid ontbreekt dus noodzaak en respectievelijk ruimte. Hoe het is gesteld met het VO wordt nergens beschreven dan wel genoemd.

Wat betreft personeel dient het beleid afgestemd te zijn op de specifieke behoeften . Van enige vorm van personele mobiliteit zetten we echter vraagtekens.
Wat betreft het financiële beleid bestaat slechts de mogelijkheid tot het voeren van een gezamenlijke administratie. Wat betreft de noodzakelijke professionalisering: die geldt slechts het basisonderwijs zoals we hebben begrepen. Dat kan betekenen dat het VO over voldoende professionaliteit zou beschikken.
Voor de vormen van samenwerking op het gebied van onderwijsaanbod, zorg en scholing geldt dat de verschillende inhouden van het onderwijs slechts zeer beperkt toestaan dat samenwerking op deze gebieden zinvol en vruchtbaar kan zijn. Hier geldt met name dat die samenwerking veel beter bereikt kan worden met scholen die een vergelijkbaar aanbod hebben. Voor het VO valt daarbij te denken aan samenwerking en afstemming ten aanzien van het vmbo-aanbod.

Dan niet het onbelangrijkste een gezamenlijk beleid ten aanzien van personele en financiële risico’s. Gezien het uiteenlopende karakter van de verschillende scholen zijn ook de risico’s divers. Risicobeleid is slechts effectief als binnen een groter bestuur de risico’s op een landelijk gemiddelde waarde uitkomen. Daarop is de bekostiging binnen de lumpsum afgestemd. Binnen de voorgenomen bestuurlijke eenheid kan deze middeling niet plaatsvinden en ontstaat er dus ook op dit gebied geen meerwaarde.

In het algemeen kan gesteld worden dat reeds bestaande besturen die voor zowel basisonderwijs als voortgezet onderwijs verantwoordelijk zijn zeer vaak op grond van een gemeenschappelijke identiteit (openbaar, katholiek, protestants-christelijk etc.) tot stand zijn gekomen. In de huidige praktijk blijkt dat deze besturen er alles aan doen om een scheiding in beleid en beleidsondersteunende diensten tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs tot stand te brengen. Basisonderwijs en voortgezet onderwijs zijn beleidsmatig op elk denkbaar gebied zodanig verschillend dat elke vorm van gemeenschappelijkheid onrecht doet aan de specifieke behoeften van beide. Het bestuur fungeert daardoor vaak slechts als hoeder van de gemeenschappelijke identiteit en is op elk gezamenlijk beleidsterrein feitelijk vleugellam. Een ernstige waarschuwing om in Tynaarlo die fout niet te maken.

De vraag kunnen we stellen of de belangen van Tynaarlose ouders en leerlingen gediend zijn met de voorgenomen bestuurlijke constructie met Haren?
In onze beredenering niet. Vaak wordt in discussies over het onderwijs en ook over fusies het belang van het kind, de leerling, als het finale en doorslaggevende argument naar voren gebracht. De voorstanders van de voorgenomen bestuurlijke constructie, waaronder het College van B&W, stellen dat met één bestuur voor het volledige Openbaar Onderwijs de belangen van ouders en leerlingen gediend zijn.
Als onderbouwing zou kunnen worden gewezen op de betere aansluitingsmogelijkheden tussen de openbare scholen voor basisonderwijs en die voor voortgezet onderwijs. Maar het VO is zover wij het kunnen overzien niet betrokken bij de fusie.

Groot, groter groots, het blijft de vraag of wij als gemeente Tynaarlo met deze hype mee moeten liften. We hopen met bovenstaande opsommingen te hebben bijgedragen aan een goede discussie. Kwaliteit dient ten alle tijden voorop te blijven staan, zeker nu we weten dat de jaren geleden ingang gezette vernieuwing totaal is mislukt. De toen verantwoordelijke bewindslieden zullen dan ook binnenkort ter verantwoording worden geroepen. Het is maar dat u het weet.